AQUATISCHE REFLEXEN IN PASGEBOREN BABY’S


Dirk Jan Willem Meijers MSc  Biologie & Oceanografe
Projectmanager BiNaSkANW Zuyderzee College (fpu)
International Society for Biosemiotic Studies.
Cartoonist
NL 8303 AH 8 Emmeloord, Netherlands
email: meijers@shoreline-man.name
D.J.W. Meijers MSc 2010  


Abstract

 Vijftig jaar geleden vroeg Sir Alister Hardy zich af of er een meer watergebonden geschiedenis van onze verre voorouders mogelijk zou kunnen zijn.
 Zijn artikel werd gepubliceerd in de New Scientist op 15 maart in 1960, vijftig jaar geleden.
Alister Hardy’s vraag in 1960 "Was Man more aquatic in the past?" is waard om in het Darwinjaar aandacht te geven.
Dit artikel gaat om die reden in op vaardigheid van menselijke baby’s voor zwemmen en duiken als mogelijk overblijfsel van zo’n litoraal verleden.
        
Ethologisch gezien kan het samenhangen met een gevoelige periode waarin aangeboren reflexen voor aquatisch gedrag uit een eerdere fase worden geactiveerd.
Voor zover ik kon nagaan in literatuur is aquatische ontwikkeling van baby’s en peuters niet eerder in ethologische zin gerapporteerd.
Enkele voorbeelden voor ‘aquatic behaviour’ van baby’s en peuters zijn een paar eeuwen geleden al eens genoemd.
Door de  start van  babyzwemcursussen en waterbevallingen in de vorige eeuw nam interesse veel meer toe.
        
In 1937 beschreef Mytle McGraw21 22 als eerste het ermee verbonden babyzwemmen. Sindsdien blijkt herhaald blootstellen aan water aangeboren reflexen in een gevoelige periode te tonen.
Het leidt tot “waterproof” baby’s.
Deze aquatische reflexen zijn functioneel in baby’s en peuters ruim voor ze in staat zijn tot lopen. Alle Homo sapiens zijn van pasgeboren tot volledige wasdom in staat tot zwemmen en duiken.
Een contradictie van het algemene beeld van menselijke “voorlopers” die bossen verlieten en in open vlaktes evolueerden tot tweebenige langeafstandswandelaars en -hardlopers.
Wellicht is het eerder zo dat aquatische eigenschappen van pasgeborenen en peuters in H. Sapiens neotenisch en pedomorfisch zijn; toch een erfenis uit een ver verleden.
       
Sleutelwoorden
Alister Hardy, Homo sapiens; evolutie; voorouders; litoraal; semi-aquatisch; adaptatie; ethologie; imprinting; gevoelige periode; pasgeborenen; historie; baby’s; peuters;
babyzwemmen; aquatische reflexen; waterbaby’s; imprinting; waterbevalling; neotenie; pedomorfie.

Introductie
Alister Hardy’s vraag in 1960 "Was Man more aquatic in the past?" 15 was het waard om in het Darwinjaar aandacht aan te schenken. Dat zijn idee als “Wateraaptheorie” in de wereld kwam en sindsdien als belachelijk, onbenullig of  tenminste erg onwetenschappelijk te kijk stond? Het is onterecht, er zijn intussen genoeg eigenschappen in Homo sapiens vastgesteld die echt niet niks betekenen voor een positief antwoord op zijn vraag.
Dit artikel gaat in op één voorbeeld, de vaardigheid van menselijke baby’s voor zwemmen en duiken als mogelijk litoraal overblijfsel uit een verleden van onze verre voorlopers.
Na wereldwijde introductie van babyzwemmen werd duidelijk dat baby’s en peuters gemakkelijk leren zwemmen en duiken gebaseerd op een aangeboren set van reflexen vanaf de eerste maanden na de geboorte.

In ethologie en neuropsychologie zijn meerdere adaptieve ‘time frames’ gedefinieerd als kritieke of gevoelige periodes voor imprinting. Zulke aangeboren processen werden eerst beschreven voor vogels en later ook voor zoogdieren inclusief onszelf,  Homo sapiens.
Sinds kort is er meer inzicht over neuronale gedragsontwikkeling bij pasgeborenen4 waarbij serieus een link met ethologie gelegd kan worden. In deze studie over onze baby’s omvat het onder andere duiken, ademcontrole, vroege zwembewegingen en op de rug gekeerd drijven. In onze hele verdere ontwikkeling en vrijwel levenslang blijkt spel, zwemmen en duiken dan ook onmiskenbaar natuurlijk gedrag aan de waterkant.

Als hypothese stel ik voor
Uit het in de eerste paar maanden na de geboorte vertonen van duiken, drijven en zwemmen blijkt dat baby’s en peuters al aan water aangepast zijn. Dit gebeurt snel in een voor imprinting gevoelige periode waarin een set van aangeboren reflexen wordt geactiveerd.  
Echt babyzwemmen
Aan water aangepaste pasgeborenen zijn al in de 18e eeuw waargenomen zoals Odent en Johnson vermelden26 :
“When Captain Cook discovered the Hawaiian Islands in 1778, he later wrote of seeing ‘neotenics, floating on their backs, in the warm streams and lagoons’...”
Rond 1930 toonde Myrtle McGraw 6 21 aan dat baby’s kunnen leren te blijven drijven door zich aan te passen met daarvoor nodige bewegingen .
Uit haar waarnemingen bleek hoe corticale invloed geleidelijk wordt geactiveerd. Dat leek kinderen toenemend bewustzijn van en controle over reacties te verschaffen.
Recente ooggetuigen rapporteren nog steeds jonge kinderen die zwemmen en duiken in de Amazonas, op Andaman en Nicobar eilanden en bij in boten levende, vissende en voedselverzamelende zeenomaden in het territorium van vijf Zuidoost Aziatische landen, Myanmar, Thailand, Malaysia, Indonesia en de Phillipines. Al deze groepen komen overeen.
In de New Scientist verwees  Helen Phillips 29 bijvoorbeeld naar Erica Schagatay die fysiologisch onderzoek verrichte aan  Indonesische zeenomaden:
 “Orang Suku Laut sea people spend up to 10 hours every day in the water, they give birth in the water, the children dive before they walk and the people harvest all their food from the sea.” 
 
Een gevolg was de originele benadering in BirthLight babyzwemmen die door inheemsen van de Amazonas werd geïnspireerd. Oprichter Françoise Freedman10 deed rond 1970 veldwerk in de bovenloop van de Amazone. Haar viel op hoeveel plezier inheemse bevolking beleefde aan het elke dag in de rivier spelen met hun baby’s en kinderen.
Baby’s werd geleerd hoe ouders vast te houden en naar hen toe te zwemmen, waarbij kinderen  altijd al voor angstig te zijn werden opgepakt. BirthLight baby swimming vond navolging in alle geïndustrialiseerde landen. Baby’s die zwemmen en duiken vertonen heten nu overal  “waterbaby’s” .
Het zien van natuurlijke waterbevalling bij zeenomaden wordt intussen erg onwaarschijnlijk. Hun vorm van bestaan wordt tegengewerkt en de originele manier van leven wordt onmogelijk.  
             
Bevallen in water is in de jaren zeventig gepropageerd en geaccepteerd in Westerse landen. Kennis kwam beschikbaar met het werk van Michel Odent27 en watergeboorte bleek
opvallend veilig en prettig.  
Reflexen in pasgeboren en jonge baby’s
Freedman10  beschreef hoe pasgeboren en heel jonge baby’s eerder en gemakkelijker dan verwacht gewenning vertoonden en succesvol  zwommen en doken.
Het meedoen van ouders bevorderde inzicht in verdrinkingsgevaar. Zij realiseerden zich door die ervaring duidelijker mogelijke risico’s.

Een aantal basale reflexen die voor bijna alle starters zijn waargenomen omvatten:
 1. Adem inhouden
 2. “Salamander”  zwemslag
 3. Het draaiend bewegen van benen en…
 4. Bovendrijven in juiste positie
 5. (Secondair) steeds met open ogen
 
Ethologisch is het proces vergelijkbaar met andere interacties tussen baby, moeder, vader, broertjes en zusjes. Belangrijk is een basaal verschil in acceptatie van adaptieve reflexen in pasgeborenen: zijn baby’s “alleen een subject” dat getraind kan worden of beschikken zij over een - genetisch beschikbare - aangeboren bron voor aquatische adaptatie?
De reflexen waren door McGraw22 al in verband gebracht met fysiologie en neuronaal gedrag. Conclusies leidden tot meer onderzoek naar de ontwikkeling33 .
 “The swimming reflex in normal infants was first described by McGraw, who
developed a three phase classification of aquatic behaviour development:
a) reflex   swimming, b) disorganized motor activity, c) deliberate voluntary movements.
These three phases were developed from 445 observations of 42 infants (11 days to 2 1/2 years of age)
to identify the amphibian motions used by children of varying ages during spontaneous prone propulsion
through water without swimming instructions.”
 
McGraw beschreef drie fases voor baby’s in water die gedocumenteerd zijn op film.  Het toont duidelijk psychomotorisch gerelateerde zeer vroege capaciteit van kinderen.
Zij noemde het “swimming reflexively” 19 20. De fases die zij weergaf zijn afgebeeld in een tekening (fig. 3) 20 als  a, b en c.  Delen van oorspronkelijke films met beelden van de basale bewegingen zijn nog beschikbaar (fig 5).

Fig. 3. Naar McGraw, aangepast (Meijers)
 
Of c. werkelijk “vrijwillig” is wordt nog niet volledig geaccepteerd. Mijn inziens is het een activeren van aangeboren motorische eigenschappen. Eenmaal in gang gezet leidt het tot meer. Wat aangegeven is met 1, 2, 3 en 4 is ook zichtbaar in de film “Drowning prevention strategy for infants and young children” (fig. 6 ISR)15b.  “Slechts” reflectief en “niet vrijwillig” is hier niet zinvol. Definiëren als aangeboren eigenschap lijkt meer toepasselijk.
 
Discussies over de opvatting dat  babyzwemmen resulteert in echt gezonde peuters en jong zwemmende kinderen zijn belangrijk. Langendorfer and Bruya19 noemen dit expliciet en wijzen op (twee) verschillende visies en de consequenties daarvan.
Een voorbeeld zijn Committee Sports Medicine and Fitness & Committee Injury and Poison organisations (SMF and IP) die waarschuwen voor babyzwemmen en het afwijzen5. Dat was aanleiding voor YMCA of USA National Organisation om in Pediatrics ‘Letters to the editor’ 11  duidelijk te maken dat zij totaal anders oordelen:            
SMF IP: “Generally children are not until their fourth birthday developmentally ready for swimming lessons.” 5.
YMCA: “Neither the terms "developmentally ready" nor "formal swimming lessons"are sufficiently well-defined in the policy statement
to prevent serious disagreementand misunderstanding among medical and aquatic professionals and misinterpretation by the public at large.
Moreover, to our knowledge, no current research data exist to support the use of the "fourth birthday" (or any other such age) as a cut-off
for initiating swimming lessons.” 11
 
SMF en IP5 fixeren zich alleen op het kunnen zwemmen. Zij stellen dat de leeftijd van vier jaar als startpunt acceptabel is. YMCA11  wijst op het verschil tussen ‘formele zwemlessen’ en het ‘bayzwemmen’. Het doel van een baby- en peutercursus is niet alleen maar ‘zwemmen’, maar juist het al bereiken van waterveilig gedrag voor eenjarige kinderen.
Langendorfer en Bruya 19  lijken de kant te kiezen van SMF en IP. Babyzwemtraining is okay, maar een erg vroege start niet.
Zij waarschuwen voor het overschatten van het voorbeeld dat McGraw gaf met haar tweeling.

Het neemt niet weg dat er een verandering gaande is. Het wordt geillutreerd door erkenning van de ISR noties (2011); 
OK_to_Teach_Toddlers_to_Swim

Kritieke of gevoelige imprinting
In ethologie werd bij onderzoek naar diergedrag het begrip imprinting geïntroduceerd.
Zulke aangeboren processen van imprinting werden beschreven voor vogels en later ook zoogdieren inclusief onszelf,  Homo sapiens.
In ethologie en neuropsychologie zijn daarvan meerdere adaptieve ‘time frames’ gedefinieerd als kritieke of gevoelige periodes.
Het concept was strategieën voor leren en heel veel interactief sociaal gedrag zoals dat door Eibl-Eibesfeldt8 9  beschreven is voor H. sapiens.
Een probleem werd - en is ten dele nog steeds - het ‘tabula rasa’ model zoals het is beschreven door John Locke (1632 – 1704)35:  
“At one extreme, we have John Locke's idea of ‘tabula rasa’ that proposes that the minds of newborn infants are blank slates that will be differentiated and altered only through sensory experience. Modern biological determinism represents the other extreme.
In its strictest form, this ideology suggests that behaviors are inherent and innate, resulting from the expression of genes.
Most intellectuals subscribe to a view somewhere between these two extremes, on the gradient of a controversy that is still a hot topic of debate in many intellectual fields”.
 
Dat noem ik omdat ‘tabula rasa’ nog altijd geaccepteerd wordt voor onze kleine baby’s. Maar als Knezek18 het omschrijft als ‘a variety of faculties to receive and abilities to manipulate or process the content’, dan is er ethologisch gezien overeenkomst met mogelijkheden voor  imprinting gevoelige aangeboren periodes (Meijers).
Het meest is gepubliceerd over adaptatie aan taal. Een probleem is dat verschillende visies daarop de ronde doen zoals blijkt uit Johnson and Newport (1989), geciteerd in Purves ET al.30:  
 “Many animals communicate by means of sound, and some (humans and songbirds are examples) learn these vocalizations.
There are, in fact, provocative similarities in the development of human language and birdsong (Box B).
Most animal vocalizations, like alarm calls in mammals and birds, are innate, and require no experience to be correctly produced.
For example, quails raised in isolation or deafened at birth so that they never hear conspecifics nonetheless produce the full repertoire of species-specific
vocalizations. In contrast, humans obviously require extensive postnatal experience to produce and decode speech sounds that are the basis of language.

Fig. 4 Decline in language ability
A critical period for learning language is shown by the decline in language ability  (fluency) of non-native speakers of English as a function of their age upon arrival in  the United States (fig. 4). The ability to score well on tests of English grammar and vocabulary declines from approximately age 7 onward.”
Als het om taal gaat of beter ‘praten’, begint het proces veel eerder dan bij drie jaar. Het wordt wel opgemerkt maar betekent geen ‘taalontwikkeling’. Dat is een misvatting: er is normaliter permanent  aanwezigheid van en contact met de pratende moeder, vader, broertjes, zusjes en andere soortgenoten. Dat wordt opgenomen en reacties op die ‘taal’ volgen al snel als herkenbare brabbels terwijl er in het bewustzijn meer mee gebeurt.
De essentiële imprinting voor taal kent een lange ‘kritische’ periode (fig. 4).
Bij babyzwemmen hebben we daarentegen te maken met een korte ‘gevoelige’ periode.

Zwemmen kan uiteraard ook nog jaren later worden gerealiseerd, maar het kost dan wel veel meer moeite en tijd vergeleken met onze pasgeboren kinderen.
De discussie tussen SMF IP and YMCA in Pediatrics 5 11 laat dit zien met het vaststellen van ‘time lags’ voor aquatische aanpassing op verschillende leeftijden.
De YMCA en de Infant Swimming Resource (ISR) beoordelen kleine baby’s voor drijven en overleven in water op een leeftijd van minder dan een jaar. Zij noemen daarvoor een succes binnen één tot zes maanden.
De SMF en IP Committees verdedigen echt zwemmen als vaardigheid en kiezen het startpunt voor kinderen van twee tot vier jaar. Zij stellen vast  dat dan 55 tot 58 maanden nodig zijn om het proces te voltooien, in feite dus meer dan een heel jaar. Er is in deze gevallen sprake van verschillende doelen en daarop gefocuste oordelen. Het vraagt om meer overleg en coördinatie om juiste conclusies te kunnen trekken die tot nu toe uitbleven.

ISR Harvey Barnett gaf zijn standpunt weer in ‘A Behavioral Approach to Pediatric Drowning Prevention’ bij een presentatie voor het University of Oklahoma Health Science Centre (5 maart 2009) 3. Als het er duidelijk om gaat reflexen van heel jonge kinderen waar te nemen bij het zich aanpassen aan water, dan is dat iets anders voor zoiets bij kinderen van twee tot vier jaar.  


Aquatische imprinting bij baby’s
Succes van babyzwemmen is reëel en hangt samen met imprinting in een gevoelige periode. Het is in de eerste maanden tot een jaar na de geboorte gebaseerd op aangeboren mogelijkheden . Ook stimuleert het onder water actief zijn een interactie met ouders (en trainers).
Vroeg missen van een noodzakelijke imprinting kan bij veel vogels en zoogdieren – inclusief onze eigen soort- voor basaal gedrag nadelig zijn (Eibl-Eibesfeldt9,  Alcock ).
In psychologie en neuropsychologie wordt het zelfde gemeld en soms vergeleken met ethologische definities in biologie zoals Balatskii 2 deed:
“Imprints are tinges of human instincts, which were studied, particularly, by K. Lorenz. Many of the currently dominating theses concerning the imprinting process are either disputable or vague (1, p. 196). What we know about imprinting is as follows; first, imprints occupy an intermediate place between genetic imperatives (instincts) and conditioning. Second, they are formed accidentally (their character cannot be predicted). Third, they are realized during critical periods called moments of imprint vulnerability (4, p. 37), when the individual cannot resist external directives. Fourth, imprints are of two types: good (positive directives) and bad (negative directives).”
Babyzwemcursussen verzekeren adaptatie aan aquatische omstandigheden als een ethologisch realistische imprinting in een aangeboren gevoelige periode.
Te vertrouwen gedrag in water wordt voor jonge mensenbaby’s gerealiseerd als er interactie is met ouders (en zusjes, broertjes...).

Baby- en peuterzwemmen heeft als resultaat een positieve band tussen kinderen en ouders. De ethologische waarnemingen maken zo twee dingen duidelijk.
Het uitblijven leidt voor oudere kinderen tot meer moeite bij leren zwemmen en duiken. Het kost meer tijd om zich aan te passen en ook voor een aantal het overwinnen van watervrees. Het betekent uiteraard niet dat leren zwemmen nooit meer mogelijk is.

Het ligt anders dan bij een complexer aanpassing zoals voor spraak en taal geldt28. Doordat duidelijk ook voor volwassenen nog leren zwemmen is weggelegd prefereer ik de besproken imprintingfase voor baby’s te omschrijven als ‘gevoelig’ en niet ‘kritiek’
De drie fases zoals die beschreven zijn worden steeds waargenomen in babyzwemcursussen. Niet zo jong als McGraw haar jongens eraan blootstelde, maar de start is zeker ook ‘vroeg’ bij vier tot zes maanden. Iets later starten is verbonden met het bij baby’s vóór een leeftijd van ongeveer vier maanden nog niet volledig actieve immuunsysteem .
Eerder starten zou realistisch kunnen zijn in ‘primitieve’, niet dichtbevolkte populaties waar moeders immunoglobulines overdragen bij borstvoeding. Daarbij duurt zogen ook veel langer, soms zelfs enkele jaren.
Rapporten over het begin van aquatische activiteit van baby’s noemen de eerste zwembewegingen ‘salamanderachtig’ 19 zoals afgebeeld in fig. 3 en fig 5. Daarna volgt rotatie van been(tjes)slag en dardoor bovendrijven op de rug in een positie die doet denken aan dragen van een reddingsvest. Enkele bewegingen die gerapporteerd zijn bij het in water testen van zeer jonge baby’s werden eerder ethologisch beschreven door  Eibl-Eibesfedt 8, maar niet expliciet ‘een aquatische eigenschap’ genoemd:
“Swimming movements can be released in infants that are a few weeks old by placing them into the water in a prone position and merely holding them up on their chin.   They paddle in a coordinated fashion with their hands and legs. The behaviour disappears at 3 to 4 months.”

De zwembewegingen werden uitgelokt bij Johnny door blootstelling aan water, één van de tweeling Johnny en Jimmy van Myrtle McGraw, 11 dagen oud 14 21. Een fragment van ‘salamanderzwemmen’ is recent toegevoegd aan de film over Johnny17a, een aeromechanische  simulatie van een salamanderbeweging16.
Het effect ‘zinvol drijven’ wordt beschreven op tal van baby-swimming sites op internet. Een duidelijk en ook belangrijk voorbeeld is “Miles story, Drowning prevention strategy for infants and young children”, een film die werd gepubliceerd door ISR 3 17b. De baby had drie weken ISR lessen gekregen toen zijn geheel geklede zelfredzaamheid is gefilmd. 


Het laat zien wat  McGraw beschreef (fig. 3, 1-2-3-4): Onder water houden ze hun adem in en beginnen met zwembewegingen (fig. 7a).
Dan vertonen ze en rotatie (fig. 7b) en met het gezicht boven water drijvend op hun rug gaan ze ademen. Na enige tijd volgt relaxt uiten van kreetjes  en babbelen (fig. 7c).
a
b
 c
Fig. 7. Drie fases van het ethologische fenomeen © DJW Meijers 2009

Met een start op vier maanden eindigt de beschreven gevoelige periode voor onze soort na zes maanden tot een jaar. Het toont de uitkomst van een genetisch vastgelegde gevoelige periode voor imprinten waar ouders een belangrijke rol in hebben. Maar accepteren dat ‘wij’ als pasgeborenen instinctief gedrag en bovendien ‘aangeboren imprinting’ leren vertonen, dat staat nog altijd hevig ter discussie.

Positief is naar mijn mening dat neuropsychologie de link oppakte met de oorspronkelijk ethologische definitie van imprinting. Het vraagt het meer open staan voor de plaats
die  H. sapiens tussen andere zoogdieren inneemt. Palmer28 wijst op de rol van die imprinting in ‘Bonding Matters, The Chemistry of Attachment’ en noemt wat nog steeds
inzet voor verbetering vraagt:
“Sadly, over the last century parents have been encouraged by industry-educated "experts" to ignore their every instinct to respond to baby's powerful parenting lessons. Psychologists, neurologists, and biochemists have now confirmed what many of us have instinctually suspected: that many of the rewards of parenthood have been missed along the way,
and that generations of children may have missed out on important lifelong advantages.”
 
In het boek  “Water babies” van  Freedman 10  staat in het voorwoord een belangrijke verwijzing naar Liselott Diem 7 .
Liselott Diem deed met studenten van de  Deutsche Sporthochschule Köln systematisch onderzoek aan peuters en kleuters tussen 1974 en  1976.
Vastgesteld werd dat babyzwemmen niet alleen motorisch functioneren versnelt. Interactie met ouders en leeftijdsgenootjes in een groep doet meer.
De start van pasgeborenen en peuters voor aquatische adaptatie is vroeg, relatief snel en gemakkelijk. Ontwikkeling is gekoppeld aan vroege psychomotoriek.
Conclusie na een serie tests was dat leren zwemmen op een heel vroeg tijdstip bij  kinderen motorieke ontwikkeling, reactietijd (reflexen) en concentratie (focus) versnelt.
Een positief effect werd bovendien vastgesteld voor sociale interactie, zelfvertrouwen, onafhankelijkheid en omgaan met nieuwe onbekende situaties.
Zulke kinderen waren in het algemeen beter aangepast dan leeftijdsgenootjes die niet hadden deelgenomen aan het programma vroeg zwemmen.
Aan babyzwemmen werd toename van zelfvertrouwen en zelfstandigheid toegeschreven.
Het bevestigde voor Diem haar eerdere conclusie: kinderen die heel vroeg beginnen met zwemmen profiteren van interactie met en binding aan hun ouders.
Als minister van het Bundesministerium für Bildung und Forschung propageerde zij voor peuters en kleuters om die reden babyzwemmen, bewegingsactiviteit en gymnastiek.
Sigmundsson en Hopkins32 voerden recent een onderzoek uit naar effecten van babyzwemmen op motorische bekwaamheid die was opgemerkt.
Daarbij werden ook babyzwemmende kinderen (2 – 4 maanden oud) vergeleken met een groep die niet op die manier actief was.
Opnieuw bevestigt het resultaten van McGraw en Diem over aquatische activiteiten van baby’s en peuters:  
“Key messages:
• Physical exercise facilitates the development of motor skill
• Baby swimming programmed may have positive effects on motor skill development
• Baby swimming programmed targets activities promoting eye–hand coordination and the provision of vestibular stimulation
• Baby swimming may have rather specific effects in the motor domain, its potential positive benefits should also be explored
   in other areas of relevance for child development”
 
Een belangrijk aspect is de overeenkomst tussen deze bevindingen en wat beschreven wordt in  ‘Concept van clarification of neonatal neurobehavioural organization’ van Bell et.al. 4 
Een aantal opmerkingen snijdt opmerkelijk hout:  
“What is already known about this topic:
• In the neonatal period (the first 28 days after birth) there is a sensitive and dynamic unfolding of development unique to the neonate.
• This is therefore an opportune time to assess and intervene to promote optimal neurobehavioural organization.
• The policy and culture of many maternal-child units demand clinicians to be taskrather than synchrony-oriented and thus there are missed opportunities to enhance neonatal neurobehavioural organization.”

“What is add:
• Inconsistent terminology, lack of a gold standard measurement, limited understanding of the concept's interplay between environmental interaction and genetic expression, and limited evidence of the concept's predictive relationship between the neonatal period and later developmental trajectories were identified in the literature.
• Neonatal neurobehavioural organization is the ability of the neonate to use goaldirected states of consciousness, in reciprocal interaction with the caregiving environment, to facilitate the emergence of differentiating, hierarchical and coordinated neurobehavioural systems.
• Maturation of neonatal neurobehavioural organization is evidenced by the neonate's ever-increasing resiliency and the capacity to learn from complex stimuli.”
Deels is in de conclusie van dit artikel vermeld:
“Neonatal neurobehavioural organization is a global phenomenon that captures the essence of healthy full-term neonatal function as resilient, individualized, complex, experiential and holistic.
A clear conceptual definition will aid the international community (1) to communicate effectively within and between disciplines, (2) to apply evidence-based research findings, and (3) encourage the development of valid and reliable instruments to capture the multiple dimensions of NNBO. Clarification of NNBO directs attention to the infant's experience, which facilitates sculpting of early NNBO.”
 
Het strookt met de betekenis die ethologie aan alle beschreven interacties toekent en tenslotte is het herkenbaar in ‘Myrtle McGraw's Unrecognized Conceptual Contribution to Developmental Psychology’ van Gottlieb12
“In the late nineteenth century and through much of the twentieth century, the notion of the early developmental autonomy of motor behavior pervaded behavioral embryology and the developmental psychology of infant behavior. In the midst of this predeterministic climate of opinion concerning motor development, Myrtle McGraw briefly and tentatively broached the probabilistic epigenetic notion of a bidirectional or reciprocal relationship between structural maturation and function, whereby structural maturation of the nervous system is influenced by functional activity as well as the other way around. Myrtle McGraw thus anticipated our current understanding of the role of experience in the cortical and motor maturation of infants in the first year of postnatal life. It is all the more remarkable that she made this contribution when the theoretical climate of opinion was epitomized by predeterministic epigenetic thinking. In the same vein, McGraw's second unrecognized contribution is her clear formulation of a suitably flexible critical period concept in 1935, one that is consonant with our current understanding.”
  Neotenie en pedomorfose
De hypothese voor aquatische adaptatie heeft geen zin als er niet een link wordt gelegd met neotenie en pedomorfose. Aquatische adaptatie van de pasgeboren H. sapiens kan gekoppeld worden aan “ancestrale genen”. In ontwikkelingsbiologie wordt het herkend als fylogenetische eigenschappen van volwassenen die voorheen alleen in jongen werden gezien. Lorenz 20, Morris24 en Gould13    beschreven het voor verschillende soorten, inclusief Homo sapiens. Het is hier niet aan de orde om er diep op in te gaan, maar  meer is beschikbaar: info@shoreline-man.name. 


Fig. 8 Neotenie in Homo sapiens © Meijers

Het aspect van onze pasgeborenen in water kan vergeleken worden met de neonatale ontwikkeling. Lorenz is hier belangrijk: hij definieerde netotenie in combinatie met pedomorfe retentie  van (foetale en) juveniele eigenschappen in adulten als mogelijk ancestrale eigenschappen en  Gould herhaalt dit13.
Lorenz legt vervolgens een relatie met mogelijk ancestrale (pre Homo) antropoïde apen.
Als ons aquatisch adaptieve gedrag vergelijkbaar is met neotenie zoals Lorenz formuleert, dan is het ook mogelijk verbonden met ancestrale eigenschappen.
Op basis van die veronderstelling kan het zo zijn dat vroege voorlopers van Homo sapiens gedwongen adaptatie aan restrictieve (semi-) aquatische habitats hebben ondergaan. Zoiets kan aquatische, morfologische, fysiologische en gedragsmatige eigenschappen opleveren.
Zwemmen, duiken en spelen in en bij water is belangrijk natuurlijk gedragvoor alle stadia, van baby tot bejaarde zoals Niemitz25 beschreef.
Daar moeten nog voedsel verzamelen (alle “fruits de mer”), verspreiding over de wereld, reizen en water gebonden transport aan worden toegevoegd.
Langzamerhand ontstaat zoals Wrangham36 et al. aangeven, een meer open visie op de beschreven gedachtengang:
"Given that early hominins in the tropics lived in relatively dry habitats, while others occupied temperate latitudes, ripe, fleshy fruits of the type preferred by African apes would not normally have been available year round. We therefore suggest that water-associated USOs * were likely to have been key fallback foods, and that dry season access to aquatic habitats would have been an important predictor of hominin home range quality. This study differs from traditional savanna chimpanzee models of hominin origins by proposing that access to aquatic habitats was a necessary condition for adaptation to savanna habitats. It also raises the possibility that harvesting efficiency in shallow water promoted adaptations for habitual bipedality in early hominins."

(*USO’s: ondergronds opgeslagen voedselrijke organen van aquatische of semi-aquatische planten (Meijers)).  

Conclusie
Pasgeborenen en kleine kinderen tonen erg snelle aquatische adaptatie. Fysiologische eigenschappen omvatten ademcontrole, duiken, vroege zwembewegingen en drijven. Wat baby’s bij onderwater zwemmen en bij drijven doen is gebaseerd op genetische eigenschappen die geactiveerd worden in een ethologisch gedefinieerde gevoelige periode. Het betekent dat de voorgestelde hypothese geaccepteerd kan worden:
Uit het in de eerste paar maanden na de geboorte vertonen van duiken, drijven en zwemmen blijkt dat baby’s en peuters al aan water aangepast zijn.
Dit gebeurt snel in een voor imprinting gevoelige periode waarin een set van aangeboren reflexen wordt geactiveerd.
Een serie ingebouwde reflexen moet in een genetisch vastgelegde gevoelige periode op gang worden gebracht. Die periode start vanaf vier tot zes maanden (van nature in feite eerder) en duurt ongeveer een jaar. Participatie van ouders is een voorwaarde voor het volbrengen van dit proces. Het implementeert aquatische aanpassing en dynamiek in een zeer vroeg stadium.
 
De zichtbare reflexen:
1. Het onder water regelen van ademhaling is een adequate reflex.
2. Zwemmen met de “Salamanderslag” is een reflex.
3. Het door een draai boven komen drijven met gezicht omhoog, armen en benen gespreid is waarschijnlijk een bijpassend samenstel van aangeboren reflexen.
4. Interactief zijn van ouders (en anderen van de familiegroep) versterkt het proces.
5. Als het wordt gerealiseerd in de aangeboren gevoelige periode van vier of zes maanden tot een jaar, dan is de baby “waterproof”.

Deze ‘waterproof’ reflexen van pasgeborenen zijn een essentieel unieke eigenschap van onze soort, Homo sapiens. Het is niet waargenomen bij andere mensapen (genus Pan, genus Gorilla en genus Pongo).  In alle stadia van baby tot volwassene vertoont de mens  fysiologisch en morfologisch natuurlijk gedrag van getalenteerd zwemmen, duiken en spelen in en bij water. Babyzwemmen voegt daar in een vroeg stadium sociale interactie, zelfvertrouwen, onafhankelijkheid en omgaan met nieuwe, onbekende situaties aan toe.
Dit alles is verbonden met psychomotorische en sociale mogelijkheden in het eerste jaar na de geboorte. Het draagt zinvol bij aan discussies over een mogelijk semi-aquatische start voor vroege voorlopers van mensachtigen. Aquatische eigenschappen van onze pasgeborenen lijken neotonisch  en pedomorf in connectie te staan met eigenschappen van die aard. Als dat wordt geaccepteerd kan serieus worden overwogen een mogelijk evolutionair opgelegde semi-aquatische habitat te zien als route van zulke vroege voorlopers.
  

Fig. 9. Wat kan er gebeurd zijn? © DM

Als zij in eerste instantie alleen na gedwongen verlaten van bossen adaptief  bipedaliteit hadden verworven, dan correspondeert dat niet met een jong dat zich niet aan de moeder kan vastklemmen en tenminste het eerste jaar niet kan lopen. Biologische coherentie ontbreekt dan ook volledig met de perfecte aquatische adaptatie van pasgeborenen en peuters.
Het betekent dat de boodschap van onze “waterbaby’s”  zin geeft aan het zoeken van een nieuw paleontologisch startpunt als mogelijkheid (fig. 9.).
Mij is het niet gelukt om in paleoantropologie noch genetica iets te vinden dat ‘ja, mogelijk’, ‘ja, misschien’ of ‘nee, onbestaanbaar’ laat zien. Gefossiliseerde overblijfselen van zuigelingen zijn buitengewoon zeldzaam.
Het is daarom niet te verwachten dat paleontologisch bewijs voor mijn ongelijk of gelijk wordt gevonden.
De argumentatie kan alleen worden gebaseerd op levende, gezonde, erg jonge – en volwassen - H. sapiens exemplaren.
Het ondersteunt de gedachten van Sir Alister Hardy zoals hij dat publiceerde in 1960, “Was man more aquatic in the past”15 en geeft meer gewicht
aan de zienswijze van Elaine Morgan23 in The Descent of Woman:
“Most land animals can walk or even run within an hour of being born.
But a newborn baby cannot even crawl and is totally dependent on it’s mother.
For this to happen it means that human babies had to be able to evolve in very safe conditions”.
  Discussie
De reflex voor “drijven” is een belangrijk punt. Het is problematisch voor baby’s en kleine kinderen die niet met water in contact zijn gebracht in de eerste periode
van vier of zes maanden tot een jaar na de geboorte. De oorzaak is het missen van de genoemde ethologisch gevoelige periode voor imprinting.
Dan is verdrinken voor kleine kinderen een reëel gevaar zoals Eibl-Eibesfeldt dat heeft vermeld8.
Kleine baby’s en peuters wennen gemakkelijk binnen een paar weken aan water. Dat betekent minder angst als er ouders bij zijn.
Ze reageren dan ook op natuurlijke wijze bij het  duiken en zwemmen. Doordat het  trainen van baby’s in zwemmen pas kort gewoonte is, werd mogelijke versterking
van reflectieve adaptatie niet voldoende gerealiseerd. Bovendien ontbrak een ethologische interpretatie.
Het veroorzaakt tegengestelde meningen over het belang van babyzwemmen in realiseren van zeer jonge, efficiënte zwemmers.
Beter leren zwemmen is heel lang niet eerder verwacht dan op een leeftijd van vier jaar.
Maar nu blijkt dat “natuurlijk” eerder beginnen heel goed werkt en  zeker al zolang als onze soort  of nog langer bestaat.

In ontwikkelde maatschappijen begonnen kinderen altijd veel later met zwemles. De adaptatie aan water en in water bewegen kost dan meer tijd.
Sommigen leren het nooit en watervrees komt dan voor en kan blijven bestaan. Dat trof een behoorlijk aantal volwassenen en zelfs zeelieden nog. 
Het is een argument om overal babyzwemmen juist als waardevol te propageren.  NIET om te verdedigen dat het gegarandeerd ervaren zwem en duik kinderen aflevert.
Het gaat er juist om door eerder aanpassen aan gedrag in water het zwemmen makkelijker en sneller efficiënt te leren.
Het is ook een uitdaging tot onderzoek naar het verschil in “time-lags” bij het leren zwemmen in de verschillende leeftijdsgroepen.
Bovendien vraagt het om verzamelen van ethologische gegevens over aquatische adaptatie in andere Mammalia species: zijn onze pasgeborenen echt uitzonderlijk?
Voorbeelden zijn de semi-aquatische Otter (Lutra spec.) en IJsbeer (Ursus maritimus).

De meeste voorbeelden die ik ken hebben niet de opvallende combinatie ‘niet lopen’, ‘wel in staat te zwemmen’ periode. Mij is niet één voorbeeld bekend van
 jonge ‘baby’ Hominidae die dezelfde aquatische mogelijkheden geassisteerd door hun ouders vertonen zoals bij H. sapiens. In zekere zin zijn er natuurlijk
veel variaties in fysieke mogelijkheden
van  H. sapiens zoals Eibl-Eibesfeldt8 citeerde van Konrad Lorenz:
“Konrad Lorenz (1943) once characterized man as the specialist in the unspecialised, a reference to human universality….how man is superior to all other animals in versatility”
In hmtl is een aantal voorbeelden van babyzwemmen toegevoegd. Dat geldt ook voor ethologisch gerelateerde fenomenen en aquatische activiteiten van andere dieren met commentaar:
Otter met baby, Zeeleeuw met baby, Olifant zwemmend met David Attenborough, Tapirs genietend van een bad en een Pinguïn die aan water wordt gewend
door “moederlijke” verzorgsters (Vraag er naar:  info@shoreline-man.name ).


Referenties
1. Alcock J. 1993. Animal behaviour. Sinauer Associates , Sunderland MA USA.

2. Balatskii EV 2007. Auxiliary imprints and human behavior.

 Herald of the Russian Academy of Sciences, 2007, Vol. 77, No. 5, pp. 479– 484. Pleiades Publishing Ltd. 2007. Moscow, Russian Federation.  (Original Russian Text © E.V. Balatskii, 2007, Vestnik Rossiiskoi Akademii Nauk,  2007, Vol. 77, No. 10, pp. 880–886).

3. Barnett H. 2009. A behavioural approach to paediatric drowning prevention.University of Oklahoma Health Science Centre USA.
 URL: http://tvs-media-ex.ouhsc.edu/ with dr Barnett

4. Bell AF, Lucas R, White-Traut RC, Concept clarification of neonatal neurobehavioural organization. Journal of Advanced Nursing, Volume 61, Issue 5, pages 570–581, March 2008

5. Committee Sports Medicine and Fitness & Committee Injury and Poison 2000. Swimming Programs for Infants and Toddlers. Paediatrics 2000, 105; p868-870. Academy of Pediatrics, Elk Grove Village, Illinois USA

6. Dalton T, Bergenn V. "Myrtle McGraw: pioneer in neurobehavioral development. In Kimble G and Wertheimer M editors. Portraits of the pioneers in psychology. American Psychological Association, 1998. Washington DC USA

7. Diem L 1979 Baby swimming advances. Independence and development of intelligence. The Federal Minister for Education and Science Public Relations Bulletin. Germany

8. Eibl-Eibesfeldt I 1970. Ethology, the biology of behaviour. Holt, Rinehart and    Winston. Austin TX USA

9. Eibl-Eibesfeldt I 2007. Human ethology. Transaction Publishers.
 The State University of New Jersey .Piscataway NJ USA

10. Freedman FB  2005. Water Babies, safe starts in swimming. First print 2001.
 Anness Publishing LTD UK

11. Gladish K, Washington RL, Bull MJ.  2002. Swimming programs for infants and toddlers. YMCA of the USA. Reaction in Paediatrics 2002, 109: p168-169. Academy of Pediatrics, Elk Grove Village, Illinois USA

12. Gottlieb G
Myrtle McGraw's Unrecognized Conceptual Contribution to Developmental Psychology. Developmental Review: Perspectives in Behavior and Cognition 18 - 4, 1998 , pp. 437-448(12). Elsevier, Amsterdam, Netherlands.

13. Gould SJ 1977. Ontogeny and phylogeny. President and Fellows of Harvard College USA

14. Growth: A study of Johnny and Jimmy. Johnny and Jimmy, film by Myrtle McGraw, recorded in 1932. Appleton-Century Co. New York USA

15. Hardy A 1960. Was man more aquatic in the past? The New Scientist 17 March 1960. UK. Original copy URL:
 http://www.shorelineman.name/Aquatic_reflexes_in_newborn_humans/
 aquatic_babies_web/subjects/Hardy1960.pdf

16. IJspeert AJ, Crespi A, Ryczko D, Cabelguen JM.  2007. From swimming to walking with a salamander robot driven by a spinal cord model. Science, Vol. 315. No. 5817, pp.      1416 – 142.

17. Internet resources
 a.  McGraw: Jimmy swimming.
 URL:  http://www.youtube.com/watch?v=s4rT5i7CPzM
 b. Drowning prevention strategy for infants and young children
 URL: http://www.infantswim.com/isr-experience/Miles.html
 URL: http://www.youtube.com/watch?v=ibWxZcgK5SM

18. Knezek M. 1997.  Nature vs. nurture: the miracle of language. Exploring the Mind, Duke University, Durham NC, URL: http://www.duke.edu/~pk10/EM.htm

19. Langendorfer J, Bruya LD. 1995. Aquatic readiness: Developing water competence in young chidren.  Human Kinetics, Champaign, Il

20. Lorenz K. 1997. The natural science of the human species. (The Russian Manuscript 1944-1948). MIT press Massachusetts USa

21. McGraw M. B. 1935. Growth: a study of Johnny and Jimmy. Appleton-Century-Crofts. New York USA

22. McGraw, MB. 1939. The neuromuscular maturation of the human infant. New York:
 Institute of Child Development. New York USA

23. Morgan E. 1997.The aquatic ape hypothesis. Souvenir Press ,London UK

24. Morris D. 1967. The naked ape. Jonathan Cape, London UK

25. Niemitz C. 1991. Das geheimniss des aufrechten ganges. C. H. Beck Verlag, München BRD

26. Odent M.  Johnson J. 1994. We are all water babies. Collins & Brown, London UK

27. Odent M. 2000. A Landmark in the history of birthing pools. Midwifery Today 5

28. Palmer LF 2002. Bonding matters. . .the chemistry of attachment. Attachment Parenting International News. Vol. 5 No. 2, Alpharetta GA USA

29. Phillips H. 2001. Into the abyss. New scientist 2001 March p 232.

30. Purves D. Augustine GJ, Fitzpatrick D, Katz LC, LaMantia AS, McNamara JO, Williams SM. 2001. The development of language: A critical period in humans. Sinauer Associates, Sunderland MA USA

31. Schuring C. 2006. Normal Childbirth. Permission sought and received from both subject and photographer. URL: http://www.joyousbirth.info.

32. Sigmundsson H. Hopkins B. 2009. Baby swimming: exploring the effects of early intervention on subsequent motor abilities. In: Child: care, health and development, Volume 36 Issue 3 (May 2010), Blackwell publishing,

33. Sweeny JK. 1983. Neonatal Hydrotherapy. An Adjunct to Developmental Intervention in an Intensive Care Nursery Setting. In: Dulcy F.H. Aquatics, a Revived approach to pediatric management p 40. The Haworth Press, New York USA.

34. Urchin rock 2004. Holloway Z. Griffith  P. Professional underwater photography.  The Coach House, London UK.

35. Uzgalis W. John Locke. (2001, rev. 2007). The Stanford Encyclopedia of Philosophy ed. 2009.  Edward NZ editor. The Metaphysics Research Lab, Center for the Study of Language and Information. Stanford University Stanford, CA USA
 URL: http://plato.stanford.edu/archives/fall2009/entries/locke

36. Wrangham R. Cheney D. Seyfarth R. Armiento E. 2009. Shallow-water habitats as sources of fallback foods for hominins. American Journal of Physical Anthropology 140:630–642